Het onnavolgbaar ogenblik. Bespreking van Voorgoed

Het onnavolgbaar ogenblik. Bespreking van <em>Voorgoed</em>

Het onnavolgbaar ogenblik

Johan Reijmerink heeft voor het online poëzietijdschrift Meander Magazine Voorgoed van Bernlef besproken. Lees hier de recensie.

De lavendelkleurige omslag van Bernlefs Voorgoed. Gedichten 1960-2010. Een keuze herinnert je aan de Provence. Daarbinnen verraden deze aan de vluchtigheid ontsnapte gedichten een wereld van vragen, twijfels, observaties, stemmingen, af- en overwegingen. Deze poëzie is gerijpt door de tijd. Ze vloeit uit de pen van een dichter die alert is op alles wat aan verandering onderhevig is. Aanleiding voor deze uitgave: Bernlef werd 75 jaar en kijkt terug op vijftig jaar gelauwerd dichterschap. Een dichterschap dat zeker niet voorgoed voorbij is.

Deze nieuwe verzameling bevat een scherpere selectie uit de bundels tot en met 1990 dan eerder het geval was in Gedichten 1960-1970, Gedichten 1970-1980 en Achter de rug (1997). Het accent ligt op de laatste zeven bundels. Het zou nu te ver voeren om te achterhalen wat Bernlef in zijn selectie op dit moment zelf als de thematische basso continuo in zijn werk beschouwt. De dichter raakt losgezongen van zijn eigen gedichten. Hij leest erin wat hij er nu in herkent. Voor mij is een doorlopende lijn zijn in de werkelijkheidservaring traceren van het onnavolgbare ogenblik, zoals hij dat onder meer doet in het gedicht ‘Cirkel’:

CIRKEL

Alvorens de cirkel te sluiten
keek hij nog één keer om zich heen
zag hoe de meeuw in de gevel verdween

stof het uitzicht smoorde
met een stormgordijn, de laatste steen
zich opmaakte om te verdrinken.

Onnavolgbaar ogenblik

waarin sterren hem te binnen schoten
en de uitgesleten drempel vonkte onder
zijn allereerste stap: hij was alleen

en de ontsluiting vond plaats. De hand
van de uitgedreven geliefde cirkelde
boven het pasgeboren lijk. Hij was gesloten.


Dit gedicht uit de bundel Niemand wint (1992) vormt een gesloten wereld. De hij observeert en ziet een meeuw een gevel invliegen. De observatie van deze natuurlijk gang van zaken wordt belemmerd door een gordijn van stof. In datzelfde moment van stilstaan zweeft er die mysterieuze hand van de geliefde boven het ‘pasgeboren lijk’. Orpheus op zoek naar Euridyce!? Een gedicht!? Een onnavolgbaar ogenblik. Dat zijn de momenten waar Bernlef in zijn poëzie altijd op uit is. Vastleggen wat zich niet meer bij herhaling laat terugzien.

De dichter en componist Micha Hamel probeerde dat onnavolgbaar moment in zijn muziekvoorstelling De Rode Kimono in het Holland Festival 2012 ook uit te beelden door de uniciteit van het originele doek van George Breitner (1857-1923) te herhalen door met behulp van de moderne media de unieke, vervreemding oproepende kijkervaring opnieuw in de toeschouwer op te wekken. De reproduceerbaarheid van het kunstwerk heeft in de visie van de filosoof Walter Benjamin dan wel het schilderij zijn uniciteit doen verliezen, maar de beelden van het schilderij gaan na een intensief bekijken toch weer een geheel eigen rol in de eigen tijd en ruimte van de toeschouwer innemen. De voorstelling verkrijgt daarmee in hem opnieuw haar eigen uniciteit. Daarin haakt hij net als Bernlef naar de oorsprong van de dingen.

Zo’n omvangrijke verzameling gedichten laat zich moeilijk op zijn volle waarde schatten, maar ik zal een poging doen door stapsgewijs mijn intuïtieve willekeur te volgen en wat goud aan de oppervlakte te brengen dat mij wezenlijk voorkomt voor deze poëzie. De bundel Winterwegen (1983) opent met het gedicht:

MEER IN DINGEN DAN IN MENSEN

Omdat de dood in mensen huist
de buitenkant van dingen is
kan ik alleen in dingen leven zien

Hun stug en tegendraads bestaan
hun onverminderd staren in het zicht
van de mij toegemeten jaren

Daarom zie ik meer in dingen dan in mensen
die een mens die in mij groeit
in richting en in zwijgen naar hen toe.


Je zou dit gedicht als een geloofsbelijdenis van een humanist kunnen opvatten. Bernlef moet niet veel hebben van hogere werkelijkheden en oncontroleerbare bewustzijnsverruimingen. Zijn poëzie is altijd geënt op geziene situaties en plaatsen in de werkelijkheid. De dood omgeeft het leven. Mensen komen uit de dingen voort en keren ernaar terug. Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. ‘Hun stug en tegendraads bestaan’ en hun ‘staren in het zicht/ van de […] toegemeten jaren//’ laten iets van de moeite, de machteloosheid en de afloop zien. De ik beschouwt zichzelf als een mens die groeit in de richting van de dood ‘en in zwijgen naar hen toe//’. De dichter weet zijn spreken omgeven door het grote zwijgen. Ligt daarin dan misschien de harmonie besloten die hij in zijn poëzie zoekt? Het zwijgen ligt bij Bernlef dicht naast het spreken. De momenten van stilte kunnen bij hem heel veelzeggend zijn. In zijn gedichtencyclus over de jazzmusicus Steve Lacey spreekt hij van een ‘toon die verliefd/ zwicht onder eigen soortgelijk gewicht.//’ […] ‘Eindelijk valt de stilte te snijden.//’.
Met het onnavolgbaar ogenblik van zijn dichterschap hangt ook het plotse inzicht samen, zoals hij dat verwoordt in de tweede strofe van het gedicht ‘Inzicht’ uit de bundel Niemand wint (1992):

Het luik naar de innerlijke wemeling klapt open –
zoals je vroeger onder een steen en net als toen
terugdeinst voor die razende paniek
rond het bestaan van een naam.


Die plotse inzichten doen zich voor in de tijd. De tijd wordt door ons brein gereguleerd. Een foto in de krant legt daarvan getuigenis af. Naarmate we ouder worden lijkt de tijd sneller te verlopen dan in onze jonge jaren: Wat die arts uit Perugia uit het gedicht ‘Rode radijs’ uit de bundel Aambeeld (1998) die door de vloer van een Etruskische grafkamer zakte, [...] gezien had/ in een flits/ daar diep beneden’ wekt verwondering:

Omringd door urnen
versierd met figuren
bukkend naar iets.

Eén ogenblik maakte hij
deel uit van het grote mozaïek.


Dit inzicht is weer zo kenmerkend voor Bernlef. Een onnavolgbaar ogenblik waarin iets zich openbaart dat zich even onttrekt aan de alledaagse werkelijkheid.
Bernlef is een reizende en vertalende dichter met een brede interesse in de westerse cultuurgeschiedenis. Beeldende kunsten, klassieke (jazz)muziek vormen voorname bronnen van inspiratie. Hij herkent zich in de woorden van de Argentijnse dichter Roberto Juarroz:

De aard van de zaak is niet de dood of het leven.
De aard is iets anders
Dat soms aan de oppervlakte komt.


Een onnavolgbaar moment. De grote gebaren van de kunst en de kunstenaar die haar beoefent, stelt Bernlef treffend naast de ranke vliegbewegingen van de scherende zwaluwen in het gedicht ‘Conservatorium’ uit de bundel Kiezel en traan (2004). De ramen van het conservatorium staan open. Klanken vliegen naar buiten toe. De vleugel klinkt jammerend.

In het park scheren de zwaluwen het gras
oogsten wind en insecten

Hoe te leven? Voor wat?
Grote vragen waarop kleine antwoorden passen
zo precies als deze zwaluwen die geven


De speler houdt op en gooit de klep van de vleugel dicht. Wat doet het er allemaal toe? En toch ligt het antwoord in de overgave aan de dingen, zonder er een competitie mee aan te gaan. De waarde van het leven toont zich aan de gracieuze vlucht van de zwaluwen. Het gaat om niet. Niet voor de winst, zou de filosofe Martha Nussbaum zeggen. Niet in het antwoord maar in de vraag ligt de drijvende kracht van Bernlefs dichterschap.
In Bagatellen voor een landschap (2001) stelt Bernlef zich op als een ware veldbioloog met oog voor het detail:

Alsof kleuren je de rug toekeren
je het palet ontzeggen en je het
neerleggend alleen nog maar kunt zien
hoe zij daar in het verborgene gloeien

Zoals zij mij met half afgewend gelaat
het meeste zegt, verstrikt in zwijgen
en haar gebaar door het open raam
de lege hemel binnen waait.


Het beeld van het in het verborgene gloeien van het kleurenpalet in vergelijking tot het veelzeggend zwijgen van de ander. Observaties geheel eigen aan Bernlef. Als geen ander weet hij die terughoudendheid, maar vooral de eigen werkzaamheid van de dingen je mee te delen. In het verborgene, het vervagen, het verbleken, de stilte, het zwijgen ligt het geheim van het leven verborgen.
In het gedicht ‘Bij het lezen van een dichtbundel’ uit de bundel Kiezel en traan (2004) lezen we:

Waarom zoveel betaald
voor een zo dunne bundel?

Om de afwezigheid van woorden
om de aanwezigheid van een vermoeden

Je kijkt naar buiten en
net als hier is daar niets
dat het zwijgen wil verbreken.


Dat vermoeden is zo veelzeggend. Afwezigheid roept vermoeden op en zet de creativiteit van de lezer aan de gang. Het gaat Bernlef om wat er niet is, om

[...] waar het gedicht niet kan komen
de woorden elkaar afstoten als atomen

Dit is wat men noemt ‘het vrije veld’
het kent horizon noch grenzen


zoals hij dat zegt in het gedicht ‘Het vrije veld’ uit de bundel Dwaalwegen (2008).

Het is ook de plaats waar, Nijhoff indachtig,
Hoger honing is hier heel gewoon en mensen
dwazer dan bijen rijden gedachteloos aan hen voorbij
bijenvolken zwermen uit naar stoeptuinen en bermen.


(’Voor de bijen’, Dwaalwegen.)

In die wereld neemt de muziek een belangrijke plaats in, zoals in het gedicht ‘Concert’ uit dezelfde bundel:

Als God bestond (of liever nog Franz Schubert)
zou het te laat zijn voor dit geacht publiek
ten onder zou het gaan in een woedende koliek;
wat haat hij hun devotie, nog harder slaat hij aan
om ze te laten sterven zoals deze muziek
die zich noot voor noot aan de stilte overgeeft.
Dan volgt het daverend het applaus dat aan alles een einde maakt.


Weer dat wegsterven naar stilte. Ook al vraagt Bernlef zich in het gedicht ‘De godsdienst’ (Kanttekeningen, 2010) af waarom sommige mensen een hang hebben ‘naar knieval en bidprent/ naar offeren en lijden/’, ik hoop dat Bernlef nog even blijft bedelen aan het verkeerde adres van de woorden. De onvermoeibare wijze waarop hij tot in zijn laatste bundel Kanttekeningen aan toe probeert met zijn oog tot op de kern van de ideeën door te dringen en door het ‘overgepolijste’ van de gladde oppervlakken tracht heen te kijken, zoals in ‘De schoonheid’:

Terug naar het origineel, terug
naar de tijd die zijn werk doet
en geschiedenis schrijft op de huid
zodat ik ze weer lezen kan voor wat ze zijn
deze reukloze meisjes die parfums aanprijzen
achter de dubbele beglazing van de abri’s.


Terug naar het onnavolgbare moment van de ‘Oorsprong’ uit de bundel Wolftoon (1986):

Dit is het zuiverste moment waarop je zelf
afwezig bent, de eerste zin tot trillen komt
en prompt gevolgd door een tweede waarin
je het komende gedicht herkent maar ook de toon
steeds zwakker klinkt van wat er daar in oorsprong zong.


Auteur: Johan Reijmerink
Lees hier de recensie op Meander Magazine.